Luther Allison (17/09/1937 - 12/08/1997) | ||||
![]() Er zijn muzikanten die ik heel wat keren heb zien optreden. Muzikanten die zo goed en/of leuk zijn(waren) dat ze nooit gaan vervelen. Ik denk dan aan mensen als bijvoorbeeld Doug Sahm, Willy DeVille, Willie Nelson, Southside Johnny, Herman Brood en iemand waar ik het in deze blog over wil hebben, namelijk bluesgitarist Luther Allison. De eerste keer dat ik Luther zag optreden was niet in mijn woonplaats Amsterdam, maar in het Utrechtse 'Vredenburg' en het jaartal zal 1979 geweest zijn. 'Vredenburg' was pas geopend en men was nog in een soort testfase. Wat mij nog bijstaat van dit geweldige optreden is de energie die Luther uitstraalde op het podium, de behoorlijk lange lengte van het optreden en het helaas matige geluid in de zaal. Het laatste optreden wat ik van Luther zag was in de Melkweg, niet al te lang voor zijn overlijden in 1997. Van dit optreden is mij bijgebleven dat Luther snoeihard speelde en de ene na de andere snaar brak. Luther was een echte bluesman; het gevoel wat hij in zijn gitaarspel legde was oprecht. Hij beschikte bovendien over een heerlijk stem geluid. Luther werd geboren in de plaats Widener/Arkansas in 1937. Het gezin Allison had al dertien kinderen toen Luther zich aankondigde (na hem volgde ook nog kind nummer vijftien). Als tienjarig jongetje maakte Luther kennis met de blues via de radio. De echte kennismaking kwam echter in 1951 toen de familie Allison verhuisde naar Chicago. Luther belandde in de klas bij Charles Waters ( zoon van Muddy Waters) en ging veel met hem mee naar zijn huis waar hij Muddy zag repeteren. Van zijn broer Ollie leerde Luther de eerste akkoorden op de gitaar en in 1957 stopte hij voortijdig zijn schoolopleiding en begon zijn eerste bandje ‘The Rolling Stones’. Erg gelukkig was de band met deze naam niet zodat zij hem veranderde in ‘The Four Jivers’. De band speelde veel, voornamelijk op de zogenaamde ‘West Side’ van Chicago. Het waren de hoogtij dagen van de Chicago Blues en de vele jamsessies brachten Luther op het podium met grootheden als Magic Sam, Otis Rush, Elmore James, Howlin’ Wolf en Freddie King. Het was Freddie King die Luther aanspoorde om ook te gaan zingen. De carrière van diezelfde Freddie King kwam begin jaren zestig in een vogelvlucht; de ene na de andere tournee volgde. Hierdoor kwam er een plaatsje vrij in ‘Walton’s Corner’ waar King wekelijks speelde. Luther nam zijn plek over en al snel was hij ‘hot’. In 1969 kreeg Luther de mogelijkheid van ‘Delmark Records’ (dit nadat hij voor dit label al twee nummers had opgenomen voor op één van de verzamel albums die verschenen onder de naam ‘Sweet Home Chicago’) om zijn eerste lp ‘Love Me Mama’ op te nemen. Dit album opende voor Luther de weg naar de grotere festivals. In 1972 tekende luther een platencontract bij het prestigieuze 'Motown Label'. Luther was voor dit label de enige blues artiest. Drie lp’s maakte hij voor 'Motown'. Toen de belangstelling voor de blues wat minder werd besloot Luther om naar Parijs te verhuizen. Nu de afstand kleiner was werd Luther een veel gevraagde act in Nederland en kreeg ik de kans om hem vele malen aan het werk te zien. In 1997 kreeg de blueswereld een schok te verwerken toen Luther overleed aan de gevolgen van longkanker. Gelukkig heeft hij een geweldige collectie albums opgenomen en zijn er inmiddels diverse dvd’s op de markt gebracht zodat iedereen nog eens kan zien hoe goed hij wel niet was. Zijn zoon Bernard, die de laatste jaren al vaak zijn opwachting maakte in de band van zijn vader, zet de traditie gelukkig voort en is net als zijn vader een begenadigd gitarist en zanger. | ||||
De Meervaart | ||||
![]() Een hoogtepunt in mijn jeugd op cultureel gebied is toch wel de opening van het Cultureel Centrum de ‘Meervaart’ op 18 oktober 1977 geweest. Osdorp kreeg een injectie vanuit de gemeente en mocht zes miljoen gulden besteden. Middels een stemming mochten de inwoners van dit stadsdeel uitmaken waar dit geld aan besteed zou gaan worden. Gezien er weinig te doen was in Osdorp behaalde de bouw van een cultureel centrum een hoop stemmen binnen en ging er een gedeelte van dit geld op aan de bouw van de ‘Meervaart’. De ‘Meervaart’ kreeg al snel nationale bekendheid door de opnames van de Sonja Barend shows in dit gebouw. Zelf heb ik in dit centrum een hoop leuke herinneringen liggen. De N.B.B.O (Nederlandse Blues Boogie Woogie Organisatie) onder aanvoering van Martin van Olderen koos de ‘Meervaart’ al snel uit als hun vaste podium. Vanaf 1983 begon deze organisatie een jaarlijks Bluesfestival in de ‘Meervaart’ te organiseren en kwamen er elk jaar diverse grootheden uit de Amerikaanse Blues scene richting Osdorp (zie voor meer info de pagina ‘Amsterdams Bluesfestival’ op deze site).
| ||||
Het levenslied, de Amsterdamse Blues. | ||||
![]() Wat kenmerkt de Amsterdammer? Juist ja een grote bek en een heel klein hartje. De Amsterdammer is emotioneel en laat dit snel zien. Dit kenmerkt ook de muziek in Amsterdam. De smartlap is nog steeds ongekend populair onder de Amsterdammers. Stap maar een volkskroeg binnen en de kans is groot dat Hazes op staat. Ook ik houd van deze volkse gezangen. Uit mijn platencollectie blijkt dit ook wel. De echte Roots muziek is de muziek waar ik mijn hart aan heb verloren. Lp’s en cd’s waar de tranen vanaf lopen. En ja, ik beken het eerlijk, ik ben in het bezit van honderden lp’s waarop de smartlap centraal staat. Vooral het Amsterdamse levenslied scoort hoog in mijn platenkast. Wat te denken van Johnny Jordaan, Tante Leen, Bolle Jan, Willie Alberti, Manke Nelis en Andre Hazes! Allemaal toppers in mijn ogen. In de jaren zeventig begon het met mijn voorliefde voor deze muziek. Vaak was ik te vinden in kroegen als ‘Bolle Jan’ in de tweede Nassaustraat (“hallo dames en mensen”) of ‘John John’ in de Willemsstraat. Lekker blond, maar iedereen zeer wel bespraakt. Ook bezocht ik jaarlijks het Jordaan Cabaret in ‘De Palm’ op de Palmgracht tijdens het Jordaanfestival. In de Westerstraat was het tijdens dit festival vaak feest voor café ‘Nol’ met onder andere een legandarisch optreden van niemand minder dan ene ‘Brintha’. In die periode werkte ik als glazenwasser in Amsterdam Oost en was ik een vaste bezoeker van ‘Ko’s Koffiehuis’ op de Linnaeuskade waar het levenslied elke dag door de speakers klonk. Ik voetbalde in die tijd bij BDK (Bok de Korver), een echte Amsterdamse voetbalclub waar ook wekelijks de smartlappen door de kantine knalden. Bij een jubileumfeest van deze club zag ik nog een beschonken Johnny Jordaan optreden. Later begon ik mijn ‘carrière’ binnen de financiële dienstverlening bij de Rabo bank in de Jan Evertsenstraat en kreeg ik contact met de echte oer Amsterdammers. Gebak en fooien waren geen uitzondering in die tijd. Na mijn overplaatsing naar de Rabobank in de Kinkerstraat was Rene Froger een vaste (slechte) klant van mij. Bijna huilend zat hij tegenover mij om te vragen naar een voorschotje en overtuigde ik mijn chef ervan dat hij er wel zou komen en een voorschotje geen kwaad kon. En dan was er die platenzaak van Willie Alberti vlak naast het Osdorpplein waar ik heel wat lp’s kocht. Woedend kon je Willie maken als je jouw fiets tegen zijn etalageruit plaatste. Het ‘onderdeurtje’ stormde dan naar buiten en schold je de huid vol. Later, na zijn dood, was ik nog in zijn museum aanwezig waar zijn vrouw mij een liefdevolle rondleiding gaf. Op het Rembrandtsplein was het ook altijd genieten in het ‘Hof van Holland’ waar vele artiesten het Amsterdamse levenslied zongen. En hoe je er ook over denkt, de beste accordeonist die ooit geleefd heeft is toch wel Johnny Meijer die net zo makkelijk jazz als het levenslied speelde. Ik zag hem enkele malen optreden en was meteen verkocht. Nog regelmatig klinken zijn accordeonklanken door mijn speakers. En wat te denken van Manke Nelis iemand die een cafe in korte tijd op zijn kop wist te zetten. Helaas is het na het overlijden van Hazes, wat mij betreft, een beetje gedaan met dit genre. Maar wat niet weg gaat zijn mijn mooie herinneringen aan deze prachtige tijd!
| ||||
Rosa King 1938(?) - 2000 | ||||
![]()
Wat is het is toch heerlijk om in een stad als Amsterdam op te groeien. Ik zie het nu ook weer terug bij mijn kinderen die graag de stad in gaan om rond te dwalen en ’s avonds genieten van een optreden in Paradiso, de Melkweg of bij één van de andere podia die een stad als Amsterdam rijk is. Als puber kon ik zelf ook uren door de stad slenteren. Je kwam dan de meest vreemde figuren tegen, liep ‘stiekem’ over de wallen om te gluren naar de dames van plezier en bezocht de meest obscure kroegen. ’s Avonds was er op muziek gebied enorm veel te doen en genoot ik van de vele soorten muziek die in een smeltkroes als Amsterdam te horen waren. Mijn favoriete uitgaansgelegenheden waren al snel plekken als Paradiso en de Melkweg, maar ook kroegen die inmiddels al lang niet meer bestaan. Zo was er op de Prinsengracht ‘Folk Fairport’, een pijpenla met in het midden een klein podium waar vooral singer-songwriters optraden. In de Korte Leidsedwarsstraat had je de prachtige club van Heddy Lester ‘Iboya’, waar rond middennacht de beste Salsa bands waren te horen. Er waren geweldige discotheken waar bands als ‘Hot Chocolate’ speelden en de Disco hoogtij vierde. Op de Lijnbaansgracht, de plek waar nu het Blues café ‘Maloe Melo’ is gevestigd, had je ‘de Kroeg’, jarenlang het beste Jazzcafé van Amsterdam. Hier zag ik de beste Jazzmuzikanten en was ik getuige van een jamsessie van Chet Baker samen met Herman Brood. Het was ook in dit café waar ik voor het eerst kennismaakte met de muziek van Rosa King. Rosa werd in 1938 geboren in de plaats Macon/Georgia, een plaats die vooral bekendheid kreeg als geboorteplaats van een ander muzikaal talent namelijk ‘Little Richard’ met wie zij samen naar school ging. Op haar veertiende begon Rosa met dansen en op haar zeventiende belandde zij in de show van Charles Taylor & The Bronze Mannikens. Met deze groep toerde zij voornamelijk door de zuidelijke staten van Amerika. Onder de naam Rosa Het waren echter haar danskwaliteiten die haar via de dansgroep van Helen Le Clerc begin jaren zeventig in Amsterdam deden belanden. Het leven in Amsterdam beviel haar zo goed dat zij zich hier vestigde. Bassist Rainer Bleck zag haar hier spelen en vroeg Rosa om samen met hem een band te beginnen. De geboorte van ‘Rosa King en Upside Down’ is dan een feit. De band heeft als snel succes en speelt in diverse samenstellingen de café’s en jongerencentra plat. Veel muzikanten leren het vak van Rosa. Mensen als bijvoorbeeld Arthur Ebeling, Bertus Borgers, Saskia Laroo, Candy Dulfer, Frank Grasso, Nippy Noya, Jeff Reynolds en Roger Happel maakten deel uit van haar band ‘Upside Down’. Landelijke bekendheid krijgt Rosa, als zij tegen de zin van de organisatie van het North Sea Jazz Festival, op het podium klimt tijdens een Saxofoon Battle met grootheden als onder andere Stan Getz, Archie Shepp, Illinois Jacquet en Eddie ‘Lockjaw” Davis. Dit relletje wordt aardig opgeblazen door de nationale pers. Met een wervelende show van Blues, Jazz, Soul en Funk speelt ‘Upside Down’ in heel veel landen en staan zij op vele bekende Jazz festivals over de hele wereld. Als Rosa in Discografie "Rosa King & Upside Down" (LP-1974-Dureco) "Live At The Milky Way" (LP-1979-MilkyWayRecords) "So Far To Go" (LP -1980-CaribbeanCircle) "Too Busy" (LP-1980-PopEyeLabel)“Rosa King’s Favourite Blues – Live” (LP –1981 – Paradise + CD- 1991-Riff) "Under The Cover" (LP-1987-D&K) "Jazz Out Of "Who's Playing A Joke On Who?" (MaxiSingle-1988-Metropole) ‘It Just Happened – Live Cafe Alto”(CD-1992-Riff) "Salsa Carnaval - Live" (LP-1992-Paradise) "Cheating On Me" (CD-1992-BloomdidoProductions) met o.a. Luther Allison "The Best Of Rosa King & Upside Down" (CD-1995-Riff) “Still Going Strong”(CD-1996-Riff) | ||||
Is er nog toekomst voor de Blues? | ||||
![]() Afgelopen weekend heb ik thuis op de bank alle tv-uitzendingen rond het muziekspektakel ‘Lowlands’ zitten volgen(ja ja, ik ging laat mijn bedje in). De energie die het publiek, maar vooral de bands tentoonspreidden was ongekend. Een energie die mij vooral deed denken aan de energie die er was in de jaren vijftig en zestig bij optredens van bijvoorbeeld Elvis, The Beatles en The Stones. Publiek wat schreeuwde, joelde, flauwviel en danste! Opvallend was ook dit keer weer het grote aantal nieuwe bands. Bands waar volgend jaar waarschijnlijk niemand meer iets van hoort. Niet omdat ze slecht zijn, maar de roulatie is gewoon, door de komst van nieuwe media, groot onder de jeugd. Wat ook opvallend te noemen is dat ik geen enkel bluesnummer meer hoor op dit soort festivals. De Blues is gewoon te traag voor deze internetgeneratie. Dat er onder de jongeren nauwelijks meer animo is om een bluesbandje te beginnen is logisch. Als je jong bent dan wil je spelen voor leeftijd genoten en niet voor een kritische groep vijftig plussers. Leuk voor een tijdje, maar als je alle clubs hebt gehad is het mooi geweest en wil je dat je leeftijd genoten je muziek leuk vinden. Voor clubs die het moeten hebben van Bluesmuziek zal het alleen maar zwaarder worden. Je moet of een enorme fan zijn of stikken in het geld wil je nog doorgaan met het programmeren van Blues. In een stad als Amsterdam is dat al heel lang zichtbaar. Paradiso programmeert al nauwelijks meer Blues en als er dan iets op het programma staat dan is dat in de kleine zaal en zelfs dit kleine zaaltje loopt nog amper vol. Natuurlijk zijn er nog wel een aantal aardige festivals die goed worden bezocht, maar ook hier is de leeftijd vijftig plus. | ||||
North Sea Jazz Festival 1981 - Sugar Blue & The Icebreakers | ||||
![]() Op 9,10 en 11 juli is het weer zover, het North Sea Jazz Festival in Rotterdam. Een optreden wat nog steeds goed in mijn geheugen staat gegrift is het optreden van mondharmonicaspeler Sugar Blue die plots moest invallen voor de ziek geworden Albert Collins. Dit alles speelde zich af in het Tuinpavilioen in het jaar 1981. De echte naam van Sugar Blue is James Whiting. James is niet zoals veel Blues artiesten afkomstig uit het zuiden van Amerika, maar James werd op 16 december 1949 geboren in de wijk Harlem (New York). James groeide bijna op in het fameuze Appollo theater waar zijn moeder haar geld verdiende als zangeres en danseres. Toen James een mondharmonica kreeg van een tante begon hij al snel mee te spelen met platen van Bob Dylan en Stevie Wonder. Al snel kreeg ook de Jazz muziek zijn belangstelling. Door al deze invloeden en gezien het New Yorkse stadsleven waar veel verschillende muziek stijlen te horen waren ontwikkelde James zijn mondharmonicaspel zich niet alleen richting de Blues. "I needed a nickname... all the good ones were taken! You know 'Muddy Waters','Blind Lemon','Sonny Boy'...until one night a friend and I were leaving a concert - a Doc Watson concert - when somebody threw out of the window a box full of old 78s: I picked one up and it said "Sugar Blues" by Sidney Bechet...That's it! I thought it was perfect...so here I am”. Op advies van Memphis Slim vertrekt James eind jaren zeventig naar Parijs. Hier komt hij in contact met de leden van de Rolling Stones. Zij vragen hem mee de studio in. James is te horen op de volgende drie lp’s van de Stones: ‘Some Girls’, ‘Emotional Rescue’ en ‘Tattoo You’. Een verzoek om samen met hen op toernee te gaan wijst hij echter af. Zijn eerste twee solo albums ‘Crossroads’ en ‘From Paris To Chicago’ neemt hij hier ook op.
| ||||
Houston Stackhouse, een vergeten Blues man (28/09/1910 – 23/09/1980) | ||||
![]() De afgelopen maand zag ik in diverse media Guido van Rijn (zie ook http://home.tiscali.nl/guido/index.htm) langskomen. Dit was naar aanleiding van het verschijnen van Guido’s nieuwste boek ‘President Johnson’s Blues’. Guido is één van de grootste blueskenners ter wereld zeker op het gebied van de pre-war Blues. Ik weet nog goed dat ik als jongetje van dertien samen met mijn buurjongen op de fiets naar Haarlem vertrok om een bezoekje te brengen aan Guido. Het contact was gelegd via een oudere zus van mijn buurjongen die Guido kende via school. Guido vond het erg leuk dat wij op zo’n jonge leeftijd al interesse hadden in de Blues. Wij keken inmiddels ons de ogen uit het hoofd, zoveel platen zag je immers alleen maar in een platenwinkel. Guido moest ook toen al niets hebben van de blanke Blues en liet ons kennismaken met o.a. Memphis Minnie van wie wij toen nog nooit hadden gehoord. Veel van de echte bluesmuzikanten zijn inmiddels vergeten, de tijd gaat door en de meeste aandacht gaat tegenwoordig uit naar hedendaagse Bluesrock gitaristen. Een genre wat mijlen ver afstaat van de blues die Guido zo bewondert. Door deze media aandacht voor Guido moest ik weer terug denken aan een concert dat ik midden jaren zeventig bijwoonde in Amstelveen. Er trad die avond een gitarist op genaamd Houston Stackhouse, een naam die de hedendaagse bluesliefhebber weinig meer zal zeggen. Houston Stackhouse werd geboren op 28 september 1910 onder de naam Houston Garth op de ‘Randall Ford Plantation’ in Wesson/ Mississippi. Als tiener nam hij de naam Stackhouse van zijn stiefvader over. Op de plantage kwam Houston al op jonge leeftijd in aanraking met muziek. Hij luisterde hier vaak naar Lace Powell, een violist die ook op de plantage woonde. Houston leerde hier zichzelf mondharmonica spelen en later kreeg hij van een oom een viool. Op dit instrument kreeg hij les van Lonnie Chatmon van de ‘Mississippi Sheiks’. Later leerde hij ook nog de mandoline en gitaar te bespelen. Midden jaren twintig verhuisde zijn familie naar Chrystal Springs, waar hij kennis maakte met Tommy Johnson. Tommy maakte in 1928 zijn eerste opname voor het Victor label en door dit succes besloot Houston zich volledig op de muziek te storten. Begin jaren dertig verhuisde Houston naar Hollandale om daar samen met zijn neef, Robert lee McCullum (aka Robert Nighthawk) te gaan spelen. Leuk detail hierbij is nog dat Houston zijn neef bottleneck gitaar leerde spelen. In 1936 ontmoette Houston Robert Johnson met wie hij goed bevriend raakte. Robert moedigde Houston aan om nieuwe nummers te schrijven die zij dan later samen konden opnemen. Helaas kwam het door het overlijden van Robert nooit zo ver. Samen met de gitaristen Gary ‘Dirty’ Mason en Coochie Thomas besloot hij zijn eigen string band op te richten, ‘The Mississippi Sheiks No.2’. Ook dit was geen lang leven beschoren, want na de tweede wereldoorlog verdween de interesse voor deze string bands. In 1946 verliet Houston Mississippi om zijn heil te gaan zoeken in Helena (Arkansas). Hier kreeg hij van zijn neef Nighthawk zijn eerste elektrische gitaar. Samen met zijn neef begonnen zij optredens te doen voor KFFA Radio tezamen met mensen als Pinetop Perkins en Sam Carr. Zo belandde Houston tezamen met Sonny Boy Williamson in de legendarische show ‘The King Biscuit Time’. Door zijn medewerking aan deze show kwam Houston in contact met mensen als Elmore James, Muddy Waters, Little Walter, Jimmy Rogers, Roosevelt Sykes en Earl Hooker met wie hij ook allemaal samen speelde. Overdag werkte hij als fabrieksarbeider bij de ‘Chrysler Corporation’. Pas in 1967 maakte Houston zijn eerste opnames voor het Flyright label. De naam van de groep waarmee hij deze opnames maakte was ‘The Blues Rhythm Boys’. Naast Houston bestond deze groep uit Robert Nighthawk en ‘Peck’ Curtis. Deze opnames waren tevens de laatste van Nighthawk; hij overleed een paar maanden later. Een week later maakte Houston een opname met zijn oude partner Carey ‘Ditty’ Mason. Zijn muzikale vriend Mason overleed in 1969 en een jaar later overleed ook zijn andere buddy ‘Peck’ Curtis. Houston besloot toen maar te verhuizen naar Memphis, waar hij het huis deelde met Joe Willie Wilkens. Tezamen met Wilkins begon hij te profiteren van de zogenaamde ‘Bluesrevival’ die in de jaren zeventig plaats vond. Onder de naam ‘The King Biscuit Boys’ maakten zij deel uit van de Memphis Blues Caravan en speelden zij op vele festivals en ook voor het eerst in Europa. Na zijn carrière keerde Houston terug naar Helena waar hij in het Helena Hospital op 23 september 1980 overleed. * Bron: The Encyclopedia Of
| ||||
Verzamelen | ||||
![]() Mijn huis begint zo langzamerhand uit te puilen vanwege mijn verzamelwoede. Het begon allemaal toen ik als kind begon met het verzamelen van sigarenbandjes, postzegels, munten en suikerzakjes. Weggooien dat doet een verzamelaar natuurlijk niet, dus deze collecties liggen nog hier en daar opgeslagen in kasten. Zo rond mijn elfde kreeg ik belangstelling voor muziek en toen ging het echt fout. Het begon met wat singletjes en wat lp’s en uiteraard, vanwege de lagere prijs, begon ik muziek op te nemen op cassettebandjes. Al snel liep het aantal bandjes op. Ook hiervan heb ik nooit afscheid kunnen nemen en er staan er dan ook nog zo’n achthonderdvijftig in een kamer op twee planken, gesorteerd in opbergsystemen. Allemaal genummerd. In vijf multomappen staat de inhoud van deze bandjes keurig genoteerd. Toen ik door middel van vakantiebaantjes de beschikking kreeg over wat meer budget begon ik zelf wat meer lp’s te kopen. Ik kocht ook een prachtige Sony bandrecorder, die het nog steeds prima doet, en begon op van die grote spoelen muziek op te nemen. Bijna wekelijks was ik in die tijd te vinden in het ‘Blues Record Centre’ en kreeg ik tips over de nieuw uitgekomen albums van Paul Duvivie. Mijn favoriete winkels in Amsterdam waren al snel ‘The Sound Of The Fifties’ op de Prinsengracht en natuurlijk ‘Concerto’ in de Utrechtsestraat. Toen de lp werd verdrongen door de cd begon mijn collectie pas echt uit te groeien. Ik werkte inmiddels in de IT en reed het hele land door om software te verkopen. Altijd was er wel even tijd om in de plaatselijke platenwinkels rond te scharrelen die allemaal van hun lp collectie af wilden om plaats te maken voor de cd. Ook bezocht ik heel veel rommelmarkten, want hier waren in die tijd juweeltjes te koop voor heel weinig. Hoogtepunten waren natuurlijk ook de Koninginnedagen in die jaren. Jochies die met de platencollectie van pa op straat stonden werden geraffineerd door mij geript. Het resultaat van dit alles is dat ik een nu gigantische collectie heb staan. In het begin moest ik natuurlijk, als echte lp freak, niet veel hebben van de cd. Maar al snel viel ik ook voor deze drager. Zeker toen bleek dat cd’s ook nog eens gemakkelijk te kopiëren waren zonder verlies van kwaliteit. Inmiddels is ook deze collectie zo groot geworden, dat ik er al zo’n duizend van hun plastic doosje heb moeten ontdoen om ze nog kwijt te kunnen in mijn cd kasten. Gelukkig voor mij als verzamelaar kwam toen de dvd en ja natuurlijk begon ik ook hier aan. Vooral muziek dvd’s hebben mijn belangstelling en hiermee ben ik de duizend alweer gepasseerd. Het opnieuw beluisteren van alles wat ik in huis heb zal mij nooit meer lukken. Verzamelen is een rare tic. Het is waarschijnlijk dan ook meer ‘de heb’ die hier achter schuil gaat.
| ||||
Memphis Slim (03/09/1915 – 24/02/1988) | ||||
![]() Ik mag wel zeggen dat ik heel wat Blues- en Boogie Woogie pianisten heb gezien in mijn leven. Dit kwam natuurlijk door de liefde die Martin van Olderen (N.B.B.O.) had voor dit genre. Hij deed altijd flink zijn best om op elk Amsterdams Bluesfestival wel een pianist te laten spelen. Ook bood hij menig Nederlands piano talent een kans om te spelen op dit festival. In het overzicht van de artiesten die ooit hebben opgetreden op dit festival(zie pagina Amsterdam Bluesfestival op deze site) staan ze allemaal vermeld. Zelf heb ik zijn liefde voor dit genre toch ook wel een beetje overgenomen. Ik vind het heerlijk om naar een goede Blues- en Boogie Woogie pianist te luisteren. De pianist die op mij de meeste indruk heeft gemaakt is toch wel Memphis Slim geweest. In 1962 koos hij Parijs als zijn vaste woonplaats. Hierdoor was de afstand naar Nederland niet al te groot meer, zodat hij hier een veel geziene gast werd. Zelf zag ik hem diverse malen optreden zowel met een gitarist en een drummer, als met alleen een drummer, maar ik zag hem ook solo. Het beste vond ik hem als hij optrad met Jazz drummer George Collier. Zij vormden een perfect op elkaar ingespeeld duo waar de vonken soms vanaf sprongen. Hieronder volgt wat info over deze grootheid binnen de Blues. Memphis Slim werd uiteraard geboren in Memphis op 3 september 1915. Zijn echte naam was John Len Chatman, maar zelf gebruikte hij vaak, uit respect, de naam van zijn vader Peter Chatman die zelf ook optrad als zanger/gitarist in de Juke-Joints. Als zevenjarige begon de kleine John zichzelf piano te leren spelen en later op school bespeelde hij de contrabas in zijn eerste bandje. Rond 1931 begon hij met optreden in de diverse clubs in Memphis. In 1939 vestigde hij zich in Chicago waar hij begon te spelen met o.a. Big Bill Broonzy. Het was hier dat hij zijn eerste plaatje opnam voor het Okeh label onder de naam Peter Chatman & His Washboard Band. Al snel hierna kreeg hij van Bluebird’s producer Lester Melrose zijn bijnaam ‘Memphis Slim’ en nam hij voor dit label twee nummers op nl. ‘Beer Drinking Woman’ en ‘Grinder Man Blues’. Na de tweede wereldoorlog begon zijn carrière steeds meer glans te krijgen. Hij nam de leiding in verschillende bands (o.a. met Willy Dixon op bas) en maakte diverse opnames bij diverse labels. In 1947 nam hij het nummer ‘Nobody Loves Me’ op wat in 1949 verscheen op het Miracle label. Dit nummer werd later bekend onder de naam ‘Every Day I Have The Blues’ en is door vele artiesten later gecoverd. In 1958 tekent hij een platencontract bij Vee-Jay en brengt hij op dit label in 1959 een lp uit met de naam ‘Memphis Slim At The Gate Of The Horn’. Op deze lp staan een aantal van zijn bekendste nummers zoals ‘Mother Earth’, ‘Gotta Find My Baby’, ‘Rockin' the Blues’, ‘Steppin' Out’ en ‘Slim’s Blues’. In zijn band speelt dan inmiddels Matt Guitar Murphy mee op gitaar. In 1960 verlaat Slim voor de eerste keer Amerika om te gaan optreden in Europa. In 1962 keert hij, onder de vlag van het ‘American Folk Festival’, als optredend artiest terug naar Europa. Na deze toer besluit hij zich voorgoed te vestigen in Parijs. Tezamen met Willy Dixon neemt hij in die jaren ook nog enkele albums op. Hij verschijnt vervolgens in vele televisieshows in allerlei Europese landen, speelt in Franse films en toert volop (ook weer in Amerika). In februari 1988 overlijdt Memphis Slim op 72 jarige leeftijd in een ziekenhuis in Parijs. De begrafenis vindt plaats in Memphis in de ‘Galilee Memorial Gardens’. In 1989 wordt hij postuum opgenomen in de ‘Blues Hall Of Fame’.
| ||||
Screaming Jay Hawkins (1/07/1929 – 12/02/2000) | ||||
![]() Afgelopen weken stonden er wekelijks stukjes in de krant over de sex verslaving van ’s werelds beste golfspeler Tiger Woods. In de blueswereld hadden wij ook zo’n liefhebber rondlopen namelijk Screaming Jay Hawkins. Op zijn sterfbed uitte hij zijn laatste wens namelijk dat al zijn kinderen nog eens bij elkaar zouden moeten komen. Officieel had Hawkins drie kinderen, maar er bestaat een interview met hem waarop hij aangeeft wel 75 onwettige kinderen te hebben. Na zijn dood verscheen er zelfs een website waarop door zijn biograaf Maral Nigolian een oproep werd gedaan aan al deze nakomelingen om zich te melden. Er kwamen wel 2500 aanmeldingen binnen waarvan er, na DNA onderzoek, van 57 kon worden aangetoond dat zij een echte Hawkins waren. Volgens Nigolian zou het werkelijke aantal wel eens in de buurt van die 75 kunnen komen. Het was altijd leuk om een concert van Screaming Jay Hawkins bij te wonen. Niet alleen vanwege de muziek, maar het was vooral vanwege zijn fantastische performance. Zo herinner ik mij nog een optreden in Paradiso waarbij hij als het ware lag opgebaard in een doodskist en hij hier ,bij de eerste akkoorden, uitstapte gehuld in een zwarte cape zwaaiend met zijn stok waarop een doodshoofd stond die hij liefkozend ‘Henry’noemde. Henry was een zware roker zodat hij regelmatig een sigaretje kreeg van Hawkins. Standaard was altijd de hand aan een stukje onderarm die altijd op zijn piano lag en die zo af en toe tot leven kwam. Het was al met al een bizarre Voodoo/Horror show vol met rook, vuur, rubberen slangen en zwartgallige humor. Maar laten wij niet vergeten dat Hawkins ook nog eens een geweldige zanger was. Zeker in een zaal als Paradiso kwam dit mooi tot uiting als hij weer eens zonder microfoon een aan de opera grenzende ballade zong. Ook als songwriter is Hawkins van betekenis geweest al was het alleen maar vanwege het nummer ‘I Put A Spell On You’ wat hij in 1956 opnam voor het Okeh-label. Mijn eigen favoriete nummer is echter ‘Constipation Blues’ wat hij opnam in 1967 en aankondigde tijdens zijn concerten als een nummer dat ging over “real pain”. Hawkins, zijn echte naam is Jalacy Hawkins, werd geboren in Cleveland(Ohio) waar hij als kind een klassieke piano opleiding volgde. Later leerde hij ook nog gitaar en saxofoon te spelen. Zijn droom om operazanger te worden mislukte, dus besloot hij zich als bluespianist en zanger verder te ontwikkelen. Maar Hawkins was ook nog een groot bokstalent, zo werd hij in 1949 kampioen in het middel zwaargewicht van de staat Alaska. In 1951 sloot hij zich aan bij de band van Tiny Grimes als gitarist, waar hij al opviel door zijn excentrieke kledingkeuze. Na deze periode besloot hij verder te gaan met zijn eigen band. De rest is inmiddels history!
| ||||
Echte mannen huilen niet! | ||||
![]() Dit regeltje gaat bij mij niet op. Ik laat mijn tranen makkelijk de vrije loop. Uiteraard bij verdrietige gebeurtenissen, maar ook bij gelukkige momenten. Maar ook bij films, documentaires en soms zelfs bij concerten. Dit gebeurde bijvoorbeeld bij de opkomst van Chuck Berry tijdens zijn optreden op het North Sea Jazz Festival in Den Haag. De Statenhal was afgeladen vol en bij zijn opkomst ging iedereen uit zijn dak. Zo’n langdurig applaus had ik nog nooit mee gemaakt. Het respect wat iedereen deze man gaf voor zijn bijdrage aan de moderne muziek was minutenlang voelbaar (helaas was het optreden verder niet veel soeps). Ik zat naast Bennie Jolink en ook bij hem zag ik een traantje opwellen. Maar ook bij het laatste optreden van Ian Dury, voor zijn onvermijdelijke dood, in Paradiso. Iedereen in het uitverkochte Paradiso wist dat dit de laatste keer zou zijn. Na de toegift kwam er door middel van een ongekend applaus een afscheid waarbij menig traantje vloeide in de zaal. Je zag de mensen in hun ogen wrijven waarbij velen hun zakdoek even zo ongemerkt mogelijk uit de zak haalden. En wat te denken bij de opkomst van Johnny Winter in Paradiso (2000). Ik had hem al enkele jaren niet meer gezien en het verval was vreselijk groot. Zo wil je jouw held toch niet zien. Ik kan het zelfs hebben bij bepaalde nummers die ik hoor, die zo vreselijk mooi zijn dat zij mij tot tranen toe ontroeren. En dan zijn daar uiteraard de herdenkingsdiensten die worden gehouden voor overleden helden, bijvoorbeeld het afscheid van Herman Brood in Paradiso en die van Andre Hazes in de Amsterdam Arena. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Soms is het lastig dat ik zo emotioneel kan worden, want ‘echte’ mannen huilen namelijk niet!
| ||||
Clarence ‘Gatemouth’ Brown 18/04/1924 – 10/09/2005 | ||||
![]() Eerder schreef ik een stukje over Yank Rachel, een man die opviel binnen de Blues, omdat hij, zeker voor dit genre, een ongebruikelijk instrument (mandoline) bespeelde. Er is echter nog iemand die ook een instrument bespeelde, namelijk de viool, welke je niet vaak tegenkomt binnen de Blues. Die persoon was Clarence ‘Gatemouth’ Brown. Clarence staat ook wel bekend als de Count Basie van de blues (alhoewel hij zich duidelijk niet beperkte tot de blues en zich ook goed thuis voelde in andere stijlen zoals de Jazz, Country & Calypso). Hij werd geboren in Vinton (Louisiana), maar na enkele weken verhuisde hij al naar Orange (Texas). Zijn vader werkte aan het spoor en speelde in zijn vrije tijd viool en leerde dit ook aan zijn zoon. Clarence begon zich serieus, als drummer, met muziek bezig te houden tijdens zijn militaire diensttijd. Hierna begon hij ook nog eens met gitaar spelen. Toen hij in 1947 een optreden bijwoonde van T-Bone Walker greep Clarence zijn kans toen T-Bone vanwege gezondheidsproblemen het optreden moest staken. Hij liep het podium op, pakte de gitaar van T-Bone op en begon te spelen. Dit vond plaats in de Bronze Peacock Club te Houston. De eigenaar (Don Robey) besloot om Clarence maar meteen een platencontract aan te bieden op zijn nieuwe label ‘Peacock’. Clarence formeerde vervolgens zijn eerste eigen Big Band. Zijn eerste grote hit kwam in 1957 met het nummer ‘Okie Dokie Stomp’. In de jaren zestig werd hij de bandleider van het televisie muziekprogramma ‘The!!!Beat’ (waarvan er inmiddels een aantal op DVD verkrijgbaar zijn). In de jaren zeventig begon de carrière van Clarence steeds meer glans te krijgen door vele optredens in zowel Amerika als Europa. Zijn beste jaren waren mijns inziens de jaren tachtig. Ik kan dan ook iedereen twee prachtige cd’s aanbevelen die hij in die jaren opnam: ‘Alright Again!’(bekroond met een Grammy Award) uit 1981 en ‘One More Mile’ uit 1983, beide opgenomen op sublabels van Rounder Records. Zelf zag ik Clarence, samen met zijn Gate Express, voor de eerste keer ‘live’ spelen op het vijftiende Amsterdam Bluesfestival (1997) in de Meervaart. Een magere man getooid met een zwarte cowboy hoed en gehuld in een mooi country shirt leidde zijn band tot grote hoogte en speelde die avond zowel gitaar als viool. In 2004 werd bij Clarence longkanker geconstateerd. Hij was inmiddels teruggekeerd naar Louisiana, maar werd in augustus 2005 gedwongen door de verwoestingen van de orkaan Katrina (Clarence verloor hierbij zijn huis en al zijn bezittingen) terug te keren naar Orange (Texas) waar hij in september in het huis van zijn broer overleed aan een hartaanval.
| ||||
Nina | ||||
![]() Afgelopen week las ik een stukje in de krant over Nina Hagen. Nina heeft zich bekeerd tot het christendom en in maart van dit jaar komt haar boek ‘Bekentenissen: Mijn weg naar God’ uit. Zo zie je maar hoe een leven vol drugs en rock ‘n’ roll kan keren. Nina was eind jaren zeventig een opvallende verschijning in Amsterdam. Samen met haar toenmalige vriend Ferdi Karmelk (de vader van haar dochter Cosma Shiva Hagen) kwam ik ze vaak in euforische staat tegen in Amsterdam Oost, waar ik toentertijd als glazenwasser werkzaam was. Deze Nina was echter niet de enige Nina die Amsterdam als tijdelijke woonplaats koos. De Jan van Goyenkade is gewoon een rustige straat in Amsterdam. Van 1990 tot aan 1992 had deze straat echter een wereld beroemde bewoonster namelijk Eunice Kathleen Waymon. Een naam die waarschijnlijk bij niemand een bel doet rinkelen. Zij is dan ook beter bekend als Nina Simone. Nina werd geboren op 21 februari Het zal vast wel in haar Amsterdamse jaren zijn geweest, dat ik een optreden van haar bijwoonde in Paradiso. Het was weer eens zo’n avond waarop de meeste mensen veilig achter hun tv scherm waren gekropen, want zelfs deze wereldster kreeg de zaal niet vol (gelukkig besloot men dan ook om het balkongedeelte af te sluiten, zodat het beneden toch nog aardig vol liep). Het toneel leek deze avond op die van een chique nachtclub, compleet met mooie palmen. Al snel na mijn binnenkomst kroop Nina achter de prachtige vleugel die op het podium stond opgesteld. De verwachtingen zijn bij zo’n ster natuurlijk hoog gespannen, maar de vele verhalen die ik al over haar gelezen had bleken ook deze avond van toepassing. Nina was beslist niet vrolijk en speelde op routine haar repertoire. Slechts zelden was haar virtuositeit te horen. Een beetje teleurgesteld was ik dan ook wel na afloop. Nina Simone overlijdt op 21 april 2003 ( tweede paasdag) in haar huis in Carry-le-Rouet in Frankrijk aan de gevolgen van borstkanker.
| ||||
Rondom 'Cha Cha' | ||||
![]() Eind jaren zeventig zat er een kroeg in de Amsterdamse Voetboogsteeg waar geruime tijd op de zaterdagavond een bluespianist speelde. Bijna wekelijks was ik hier te vinden om eventjes naar hem te luisteren. Rokend als een ketter, bracht hij hier zijn prachtige muziek die recht uit zijn hart kwam. Zijn naam was Son McGauley. Hij speelde nog een rolletje in de film ‘ChaCha’ van Herman Brood waarin hij de legendarische woorden ‘The Blues goes on forever’ sprak, waarna hij achter de piano kroop om samen met o.a. Hans Dulfer (de ‘Dulfer Gang’) een prachtig Bluesje te spelen. Nadien heb ik helaas nooit meer iets van hem vernomen. In deze film ‘Cha Cha’ zit nog een scene die mij terug doet denken aan een wel heel bijzonder optreden. Het is de scene, met de onlangs overleden Ramses Shaffy, die is opgenomen in het Sonesta hotel (tegenwoordig heet dit het Renaissance hotel) waar Herman toendertijd zijn intrek had genomen. Aan dit hotel is een conferentiecentrum gekoppeld dat is gevestigd in de prachtige ‘Ronde Lutherse Kerk’. In die jaren werden hier ook optredens georganiseerd. Een prachtig optreden wat ik hier zag is mij altijd goed bijgebleven. Het was het optreden van de meester op de twaalf snarige gitaar Leo Kottke. Maar eigenlijk was het niet zo zeer ‘Kottke’ die mij is bijgebleven, maar de man die het voorprogramma verzorgde. Nadat alle lichten waren gedoofd verscheen er het schijnsel van een zaklampje wat scheen op het aanwezige publiek. Minutenlang ging dit door totdat een stem “I’ll find you” zei. Vervolgens ging het toneellicht aan en stond er een vreemd wezen met het zaklampje nog aan op het podium. De man droeg een zogenaamde Panama hoed, een donkere zonnebril en een jagerspak. Zijn naam: Leon Redbone. Leon Redbone is wel de meest mysterieuze artiest die er is. Over zijn afkomst en zijn geboortedatum doen verschillende verhalen de ronde. Tot aan de dood van Frank Zappa gingen er zelfs geruchten rond dat deze Leon Redbone eigenlijk Frank Zappa zelf zou zijn. Redbone staat dan ook bekend als de bekendste niet bekende Amerikaanse muzikant. Hij duikt in de jaren zestig opeens op in Ontario/Canada, waar hij naam maakt met optredens op verschillende festivals. Volgens een artikel dat over hem verschijnt in de jaren tachtig in de ‘Toronto Star’, laat hij bij aankomst in Canada zijn naam veranderen. Zijn oorspronkelijke naam zou Dickran Gobalian zijn en volgens dit artikel zou hij geboren zijn op het eiland Cyprus uit Armeense ouders. Zelf geeft hij bij aankomst 29 oktober 1929 als geboortedatum op, maar aannemelijker is dat zijn echte geboortedatum 26 augustus 1946 is (een datum die later verschijnt in diverse publicaties). Leon begeleidt zichzelf op de gitaar, maar heeft deze avond ook een tuba speler meegenomen die de baspartijen verzorgt. Het repertoire bestaat voornamelijk uit jaren twintig Jazz & Blues. Veel covers van o.a. Jerry Roll Morton en Fats Waller, maar natuurlijk ook eigen geschreven werk dat in dezelfde traditie geschreven is. Zijn heerlijke muziek tezamen met zijn bizarre humor maakt het tot een genot om dit optreden bijgewoond te mogen hebben. In 1979 overleeft Leon een ongeluk met een klein vliegtuig in Virginia en heeft daarna nooit meer gevlogen. Het gerucht gaat dat hij nu samen met zijn vrouw Beryl Handler (een jazz producer) in de buurt van New Hope (Pennsylvania) zou leven en een dochter zou hebben. Leon heeft vele cd’s opgenomen en als je van ‘leuke’ muziek houdt moet je er zeker eens naar gaan luisteren!
| ||||
Van Sjaak Swart naar Rory Gallagher | ||||
![]() Afgelopen week zag ik in ‘De Wereld Draait Door’ Sjaak Swart weer eens op tv. Dit was vanwege het verschijnen van zijn biografie. Ik heb Sjaak Swart verschillende malen ontmoet en ook heb ik een aantal malen, na zijn prof periode, tegen hem gevoetbald. Sjaak kon heel erg slecht tegen zijn verlies. Ik weet nog dat ik speelde in het eerste zaterdagelftal van BDK (Bok De Korver) en dat wij met 5-1 wonnen van Sjakie’s elftal. Na afloop sommeerde Sjaak iedereen van zijn elftal om niet bij ons (die asocialen) de kantine in te gaan, maar om samen met hem te vertrekken naar onze buren van Blauw Wit. Ook heb ik hem vaak gezien in zijn hoedanigheid als uitbater van het café in de Jaap Edenhal. In deze ijshockeyhal werden in de jaren zeventig en tachtig prachtige concerten gegeven. Veel grote bands hebben hier ooit opgetreden. Ik was hier dan ook regelmatig te vinden en bracht dan vaak een bezoekje aan zijn cafetaria. Zo ging ik in mijn herinnering terug naar de vierentwintigste maart van 1976, de dag van mijn moeders verjaardag. Het familiefeestje liet ik graag schieten, want er stond die avond een geweldige gitarist in de Edenhal. Al vroeg was ik vertrokken om een goed plaatsje voor aan het podium te kunnen bemachtigen. Om mij heen verzamelde zich al snel allemaal mensen gekleed in zogenaamde houthakkersshirts, het typerende kenmerk van de uit Ierland afkomstige Rory Gallagher. Al snel was de hal afgeladen vol, want Rory was ongekend populair in die tijd. Na enig wachten verscheen de band van Gallagher, Lou Martin/keyboards. Gerry McAvoy/bas en Rod de’Ath/drums, op het podium met in hun kielzog de master himself. Ongelooflijk zoals die band te keer ging in die jaren. Hoogtepunt voor mij was toch wel de akoestische set die Gallagher in zijn eentje speelde. Deze set was zo vreselijk intens gespeeld en bracht de menigte in de Edenhal in vervoering. Via Google heb ik nog even de set-list van deze avond opgezocht: I Take What I Want Bought And Sold Garbage Man Walk On Hot Coals Let Me In Ain't Too Good Cradle Rock Early In The Morning (with Want-Ad Blues (aka Real Good Man)> My Baby> Tell Me Why) Pistol Slapper Blues Too Much Alcohol Out On The Western Plain Goin' To My Hometown Souped Up Ford All Around Man Bullfrog Blues Uiteraard bleef ik Gallagher de jaren er na volgen en zag ik hem regelmatig optreden zowel in de Edenhal als in Paradiso. De laatste keer dat ik kaartjes had voor een optreden in Paradiso stond ik voor niets voor de deur. Het concert kon geen doorgang vinden vanwege de slechte gezondheidstoestand waarin hij zich bevond. Dit was in 1995. Rory stierf dat jaar in Juni op slechts 47 jarige leeftijd. Alcohol maakt nu eenmaal meer kapot dan je lief is!
| ||||
Een hernieuwde kennismaking door de muziek. | ||||
![]() Ik woonde nog thuis bij mijn ouders en was lekker hard op een geleende elektrische gitaar aan het rammen. Opeens kwam mijn pa met een rood aangelopen hoofd mijn kamertje binnen stormen. Wat bleek, de nieuwe buurman (een beer van een kerel) stond aan de deur te kloppen. “Je moet ook niet zo’n herrie maken. Je ziet wat daarvan komt. Ga zelf maar open doen” ,zei mijn pa. Dat was mijn kennismaking met onze nieuwe buren Hein en Bep Beek! Het leuke was dat Hein helemaal niet kwam klagen, maar benieuwd was wie er gitaar zat te spelen. Al snel klikte het met mijn nieuwe buren en liet Hein mij kennismaken met de betere Country muziek en liet ik Hein mijn nieuwste Bluesplaten horen. Hein en Bep hadden in Amsterdam het café ‘The Seahorse’ aan de Martelaarsgracht en bleken toffe gasten te zijn. Toen ik ging samenwonen in 1982 verwaterde het contact. Hein, zo vernam ik van mijn ouders, verhuisde naar Almere waarna het contact definitief eindigde, omdat hij mijn en ik zijn telefoonnummer niet meer had. Zomaar een avond in 1995. Op het programma van Paradiso staat ‘Dale Watson & His Lonestars’ aangekondigd, een voor mij onbekend bandje. Verder weinig info alleen dat deze Dale afkomstig is uit Austin/Texas. Genoeg reden om eens te gaan kijken naar deze band, want er was tot nu toe geen band of artiest tegengevallen afkomstig uit deze plaats. In Paradiso verwachtten ze blijkbaar weinig mensen, want er stonden overal tafeltjes en stoeltjes in de grote zaal. Er waren blijkbaar een aantal mensen aanwezig die Dale al eens in Austin hadden gezien, want Dale speelde zelfs een aantal nummers voor hen. Zo ook voor ene Bep. Er is echter geen bel die bij mij na vijftien jaar gaat rinkelen. Een jaar later ga ik zelf voor de eerste keer naar Austin. Op een avond eten wij een hapje in de ‘Broken Spoke’. Al snel na het eten komen er wat muzikanten binnen die hun spullen in het café gedeelte uitstallen. Verder is het nog bijna leeg. Een lange blonde meid komt op ons tafeltje aangelopen en vraagt waar wij vandaan komen. “Uit Amsterdam”. De reacties zijn dan meestal leuk, omdat iedereen in de wereld Amsterdam natuurlijk kent vanwege de Wallen en de Coffeeshops. De dame, Debra Peeters (zangeres/accordeoniste), kwam echter met een heel andere vraag op de proppen: “Do you know Hein Beek?” Ja hoor, het bleek te gaan om mijn oude buurman! Ze vertelde dat ze Hein en Bep al diverse keren had ontmoet in Austin. Ze had ook opgetreden in Nederland en bij Hein en Bep geslapen. | ||||
Van de LP naar Robert Pete Williams | ||||
![]() Door de komst van de cd en later die van de dvd was er op een gegeven moment geen plaats meer voor mijn platencollectie in de huiskamer en staat deze helaas in een kamertje boven. Om de paar weken gaat er een stapeltje mee naar beneden. Acht vanwege de mooie hoezen en de overige om weer eens te beluisteren. Van die acht lp’s gaan de platen er dan uit om vervolgens de hoezen te schuiven in een, door mijzelf bedacht, raamwerkje van afdeklatjes wat boven de bank hangt. Zo hangt er altijd een nieuw kunstwerkje in de huiskamer. Het zal wel iets met nostalgie te maken hebben, maar een lp geeft mij nog steeds dat tevreden gevoel van vroeger. Ten eerste is daar natuurlijk de veelal mooie hoes, de geur van de binnenhoes (vooral bij die die jaren in een obscuur winkeltje hadden gestaan) en vervolgens het grijs draaien van je lievelingsnummers. Tegenwoordig heeft muziek geen echte waarde meer. Alles is te kopiëren of te downloaden. Soms heb ik zoveel liggen dat ik het nauwelijks kan beluisteren. De cd’s gaan de kast in om er vervolgens nog sporadisch uit te komen. Dat was met lp’s toch wel even anders. Eerst de benodigde Hfl. 21,95 bij elkaar sparen om de gewenste lp te kopen, daarna snel naar huis en vervolgens draaide je je nieuwe aanwinst dagen lang. In het kamertje waar al die juweeltjes staan, hangen ook een aantal prikborden met daarop entreekaartjes van de door mij bezochte concerten. Aan de hand van deze kaartjes komen er dan weer ideeën op om een blogje te schrijven. Gisteren was ik hier weer om wat lp’s te zoeken en viel mijn oog op een entreekaartje voor Robert Pete Williams, een inmiddels bijna vergeten blues icoon. Ik herinner mij dit optreden nog goed. Het moet geweest zijn in het midden van de jaren zeventig. Op het kaartje staat geen jaartal, maar wel een foto van de man en de datum 14 mei. Het optreden (georganiseerd door de N.B.B.O.) vond plaats in het M.O.C. te Amstelveen. Het M.O.C. was een soort buurthuis, waarin een gemeenschappelijk ruimte was met daarin een bar en een geïmproviseerd podium en dit alles fel verlicht door TL balken aan het plafond. Met de Opel Kadett, van de vader van een vriend, reden wij meestal met een auto vol liefhebbers naar deze, voor ons gevoel, uithoek toe. Deze avond was speciaal, omdat er iemand zou optreden die iemand had neergeschoten en hiervoor tot een levenslange gevangenisstraf in de Ángola Prison was veroordeeld, wat het voor een tiener als ik was wel extra spannend maakte. Dit verhaal was dan ook in korte tijd het gesprek van de zaal. Iemand wist zelfs te vertellen, dat hij, na twee jaar gevangenisstraf, gratie had gekregen vanwege zijn bijzondere talent als bluesmuzikant. Het optreden was zeer sfeervol met echte authentieke blues. Wil je meer over deze bijzondere blues artiest te weten komen, het hele verhaal is nu na te lezen op Wikipedia. (http://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Pete_Williams)
| ||||
Johnny Winter 1979 | ||||
![]() Het is april 1979. Elke week kijk ik uit naar de nieuwe Veronica gids, om te zien wie er nu weer zal optreden in het Duitse muziekprogramma ‘Rockpalast’. En deze keer is het geweldig; niemand minder dan mijn grote held Johnny Winter (stiekem had ik er al een beetje op gehoopt, daar ik al kaartjes had gekocht voor zijn concert die week in Paradiso en ik dus wist dat hij in Europa was). Meteen maar even een verse band voor in mijn Betamax videorecorder gekocht om er zeker van te zijn dat de hele show tip top kon worden vastgelegd . Om in die tijd indruk te maken, liet ik al mijn vrienden en vriendinnen al kennis maken met deze uit Texas afkomstige gitarist. Trots ging dan de LP ‘Live Johnny Winter And’ op en wel speciaal die prachtig gespeelde slow blues ‘It’s My Own Fault’. Als een kind zo bij was ik, dat ik naast alle lp’s nu ook echt bewegende beelden van hem had (de videoband van dit optreden is in de loop van de jaren verloren gegaan, maar gelukkig heb ik het hele concert nu weer op dvd). Aan het concert van Johnny in 1979 bewaar ik goede herinneringen. Zijn band bestond uit Bobby (T) Torello op drums en John Paris begeleidde de meester op bas en nam ook de mondharmonica partijen voor zijn rekening. Opvallend was ook de vierde persoon op het podium, namelijk Johnny’s vriendin; was zij het die tijdens dit optreden een fles whiskey, zittend op een stoel, soldaat maakte? Johnny was in die jaren nog in topvorm, al waren sommige uitvoeringen van nummers wel erg lang. Torello gaf een mooie drumsolo die uitliep op een wandeling over het podium, terwijl zijn drumstokjes alles raakten wat hij onderweg tegenkwam. Zelfs de vloer werd niet ontzien. Ook leuk om te zien was hoe tijdens een nummer Paris achter Winter ging staan en de solo overnam van Winter en Winter zijn handen naar achteren reikte en bas ging spelen. Wat me wel verbaasde was Johnny’s spreekstem die een beetje lullig klonk vergeleken met zijn krachtige en ruige zangstem. Het publiek bleef tot vervelens toe ‘Rock ‘n Roll’ roepen. Met tegenzin (Johnny speelde in die jaren liever alleen maar blues) kwam er toch nog een spetterende uitvoering van ‘Johnny B.Good’. Na deze eerste ‘live’ kennismaking heb ik Winter gelukkig nog vele malen mogen aanschouwen. Op 10 november speelt hij in Eindhoven en op 11 november is hij te zien in Haarlem.
| ||||
BB King | ||||
![]() Hij mag natuurlijk niet ontbreken in deze rubriek, BB King. Zeker de bekendste van de drie grote King’s. In mijn ogen, de man die de blues onder de aandacht bracht van een groter publiek. Ikzelf ben een echte fan van deze man. Er zijn, in mijn ogen, maar weinig gitaristen die hun snaren zo mooi kunnen buigen als BB. Zijn typerende openingstonen bij een slowblues doen mij al smelten. Zijn optredens zijn altijd innemend vanwege zijn enorme liefde voor zijn publiek en het respect dat hij toont voor zijn band. Er is al heel veel geschreven over deze man. Prachtige verhalen die ik hier niet ga herhalen. Ik ga het hier hebben over mijn band met BB. Als eerste kijk ik eens even wat ik van BB King in mijn verzameling tegenkom. Ik tel maar liefst zevenentwintig lp’s, tien cd’s en negen dvd’s. Daarna graaf ik in mijn geheugen naar de vele optredens die ik van hem heb gezien. De laatste staat mij nog goed bij. Het was in het kader van zijn Europese afscheidstournee dat hij ook het Rotterdamse Ahoy aandeed. Natuurlijk moest ik hierbij zijn, om mijn held nog één keer aan het werk te zien. Uit mijn verslagje van dit optreden het volgende citaat “ BB is bijna tachtig, maar is nog altijd even enthousiast, goed bij stem, vol met humor en speelt nog steeds puik. De bekende gitaar rifjes en prachtige intro's klonken ook nu weer geweldig. Petje af om op deze leeftijd nog zo'n prestatie neer te zetten”. Het bleek echter niet zijn afscheid te zijn, want nog steeds treedt hij regelmatig op en stond hij ook dit jaar weer op het North Sea Jazz Festival. Het concert wat mij het meest is bijgebleven, is die hij begin jaren negentig gaf in het Amsterdamse Concertgebouw. Een prachtige zaal natuurlijk, waar niet elke week een bluesconcert wordt gegeven. BB stond in die tijd weer volop in de belangstelling vanwege zijn grote hit ‘When Loves Comes To Town’, die hij eind jaren tachtig had. Een nummer dat speciaal voor hem was geschreven door Bono (leuk detail hierbij is dat U2 de studioversie van dit nummer samen met BB heeft opgenomen in de legendarische Sun Studio in Memphis). Het meest verrassende aan dit optreden was de toegift die hij gaf. Er was namelijk in de zaal niemand die had verwacht dat BB dit nummer zelf ook live zou gaan spelen. De zaal ging helemaal uit zijn dak toen men het nummer bij de openingstonen herkende. Eerlijk gezegd was het een slordige uitvoering, maar de poging was dapper te noemen. In oktober 2008 was ik in de gelukkige omstandigheid om zelf eens een bezoek te brengen aan de staten Tennessee en Mississippi. Uiteraard kwamen wij het gedachtegoed van BB vele malen tegen. Zo staat er in het bezoekerscentrum van Memphis een gigantisch standbeeld van de man. In zowel Nashville als Memphis is er een BB King bluesclub te vinden. In deze clubs spelen de betere bluesbands die je kan beluisteren onder het genot van een drankje en heerlijke BBQ ribs. Uiteraard heb ik ook Indianola aangedaan, de plaats waar BB zijn jeugd heeft door gebracht. In deze plaats is sinds kort een prachtig BB King museum. Uiteraard was het BB zelf die dit museum mocht openen. “If heaven is as beautiful as I feel today, I’m ready to go tomorrow’ waren zijn woorden na de opening. Het museum geeft een prachtig overzicht van zijn carrière en de tijd waarin hij opgroeide. Al met al een aardige wandeling ‘Down Memory Lane’ met BB King dacht ik zo. In mijn ogen heeft er dan ook maar één iemand recht op de titel ‘King Of The Blues’ en dat is natuurlijk Riley B. King.
| ||||
KingMo | ||||
![]() Fotograaf: Janneke Michels Geschreven voor www.bobtjeblues.com Het wordt de hoogste tijd, om op mijn site eens aandacht te schenken aan een relatief nieuwe Nederlandse Bluesband, KingMo. In een korte periode is de ster van deze band rijzende. De afgelopen maanden waren de kritieken op vele websites zeer lovend over de optredens van dit vijftal. En terecht. Deze band behoort, in mijn ogen, nu al tot de best klinkende bands op het gebied van de blues die Nederland de laatste jaren heeft voortgebracht. Het ontstaan van deze band is op zijn minst opmerkelijk te noemen. Op 28 september 2008 zou de band Phil Bee & The Buzztones hun opwachting maken op het Guitar Greats festival in Maastricht. Beslist geen misselijk optreden gezien de andere namen, Tony Spinner en Jan Akkerman, op het affiche. Helaas waren de drummer en de gitarist niet in staat om zich voor deze avond vrij te maken. Zanger Phil Bee, die tevens organisator van dit festival was, besloot toen maar een andere naam op het affiche te zetten namelijk KingMo ( KingMo is een straatnaam in China, die een bevriende gitarist was bijgebleven nadat hij hier op reis was geweest). Nu moesten er alleen op zeer korte termijn nog even twee nieuwe leden worden gevonden! Gelukkig waren gitarist Sjors Nederlof (ex Strikes) en drummer Marcus Weymaere bereid de openstaande plaatsen in te vullen. Zonder ook maar één keer te oefenen (een ieder kreeg de MP 3 tjes van de setlist toegezonden en moest het thuis instuderen) stond de band op het festival. Na het terug beluisteren van de opnames van het festival, besloot Phil het optreden op cd te zetten en zo was daar zomaar uit het niets de eerste cd ‘Live At Wie dus zin heeft om een feestje te bouwen, a.s. vrijdag Café Staccato Tegelen, aanvang 22.00 uur entree gratis, avondvullend. (de informatie over KingMo is deels afkomstig van de bijdrage van Phil Bee zelf aan de site www.bluesforum.nl)
| ||||
Albert King (25 april 1923 – 21 december 1992) | ||||
![]() Het is opmerkelijk dat ik de laatste jaren eigenlijk steeds meer terug grijp naar de Bluesmuziek uit de jaren 50/60/70. En dan ook nog eens naar de Blues die gemaakt is door Afro-Amerikanen. Mensen als T-Bone Walker, Menphis Slim, Muddy Waters en vele anderen. De Blues-Rock kan mij vaak niet echt boeien, alhoewel er ook in dit genre uiteraard uitzonderingen zijn. Het zal wel te maken hebben met het ouder worden. Zo besloot ik gisteravond mijn Albert King cd’s maar weer eens te draaien en dit deed mij weer denken aan een bijzonder optreden. Zoals ik eerder schreef, was het eerste Bluesoptreden wat ik mee maakte dat van mijn grote held Freddie King in het Amsterdamse Paradiso. Daarna struinde ik wekelijks de platenzaken af, op zoek naar al die prachtige lp’s en zo bouwde ik al snel een aardige verzameling op. In die tijd bezocht ik ook wekelijks Bluesconcerten en zag ik al mijn helden live aan het werk. Zo zag ik al snel na Freddie de tweede ‘King’ aan het werk, namelijk BB. BB keerde bijna jaarlijks terug in Nederland, dus deze ‘King’ zag ik zelfs meerdere malen. Het streven was natuurlijk ook die derde ‘King’ live te mogen aanschouwen. Het jaar is mij ontschoten, maar na lang wachten stond hij, Albert King, uiteindelijk geprogrammeerd in Paradiso. Geen twijfel mogelijk, hier moest ik bij zijn! De kaarten waren snel geregeld en ik kon haast niet wachten tot dit optreden plaats zou vinden. | ||||
Rufus Thomas (26/03/1917 - 15/12/2001) | ||||
![]() Paradiso 1996, de grote zaal is niet helemaal uitverkocht(onbegrijpelijk overigens) maar is toch goed gevuld. De zaallichten doven en de band begint een medley te spelen van zijn grootste hits. Een luid Amsterdams welkom applaus weerklinkt, want daar komt hij: gekleed in een roze glimmend pak, bijpassende cape, roze laklaarzen en een broek tot net boven de knie, Rufus Thomas. Wat volgt is een optreden dat ik niet snel zal vergeten. Aan niets is te merken dat Rufus bijna tachtig jaar is. Hij danst nog steeds de ‘Funky Chicken’ en zijn stem klinkt nog geweldig. Rufus blijkt een echte entertainer te zijn die het publiek massaal laat meezingen en dansen. Werelds oudste teenager laat bij mij een onuitwisbare indruk achter! Rufus werd op 26 maart 1917 geboren in Cayce(Mississippi) een plaatsje niet te ver van Memphis. Toen hij twee jaar oud was vertrok het gezin naar Memphis,waar hij zijn hele verdere leven woonde. Geld om te gaan studeren was er natuurlijk niet en zo belandde de achttienjarige Rufus in het artiestenleven als komiek en tapdanser. Na een tour met de ‘Rabbit Foot Minstrels’ door de zuidelijke staten keerde Rufus terug in Memphis, waar hij zich begon toe te leggen op het presenteren van talentenjachten in nachtclubs. Hier ontmoette hij onder andere B.B. King, die toen enige bekendheid had als diskjockey bij het Afro-Amerikaanse radiostation WDIA. Doordat BB steeds meer optredens kreeg, nam Rufus in 1947 zijn positie als diskjockey over en dit werk bleef hij doen tot 1974. In 1949 begon Rufus zelf met het opnemen van platen. In 1953 scoorde hij op het Sun label zijn eerste hit met ‘Bear Cat’, het antwoord op ‘Hound Dog’ van Big Mama Thornton. In 1959 begon Rufus opnames te maken voor het Satellite label(het latere Stax label). Zijn grootste hit had Rufus in 1963 met het nummer ‘Walking The Dog’ dat zelfs in de top tien belandde van de Billboard Top 100. Rufus bleef, zolang het Stax label heeft bestaan(1975), als adviseur en liedjesschrijver verbonden aan dit legendarische label. Zelf scoorde hij hier nog enkele bescheiden hitjes en nam hij hier voor het eerst op met zijn dochter Carla, die zelf later ook een mooie carrière opbouwde. Pas in 1970 had Rufus zijn tweede grote hit te pakken ‘Do The Funky Chicken’. In 1972 maakte hij zijn opwachting tijdens het ‘Wattstax’ festival. In al de tussen liggende jaren bleef Rufus platen uitbrengen. In de jaren tachtig keerde hij terug naar de blues en nam hij voor het Alligator label het prachtige album ‘That Woman Is Poison” op. In 1998 onderging Rufus een open hartoperatie. In 2001 kreeg hij eindelijk de erkenning die hij verdiende; hij werd opgenomen in de ‘Blues Hall Of Fame’. Enige maanden later overleed de oudste teenager van de wereld op 15 december aan hartfalen. Na zijn dood heeft de stad Memphis een plaquette in Bealestreet aangebracht als eerbetoon aan haar beroemde inwoner. Tevens is er een zijstraat van Beale Street vernoemd naar Rufus.
| ||||
Een dagje Guy Forsyth in Austin Texas. | ||||
![]() Mijn grootste wens was ooit een keer naar Austin te gaan. Ik moest een keer naar 'Antone’s', de bluesclub waar al mijn helden live te zien waren. Ik koesterde mijn cd’s en platen die in deze club waren opgenomen. In 1996 was het zover! Via vrienden kreeg ik diverse tips over clubs waar ik zeker naar toe moest gaan. Ga naar de Broken Spoke, de Continental Club, Jovita’s, Ginny’s little Longhorn Saloon en natuurlijk naar 'Threadgill’s', de club waar ooit Janis Joplin haar turbulente carrière startte. Er zat ook een tip bij, om op zondag naar een Gospel Show te gaan in een club met de naam ‘La Zona Rosa’. Met al deze tips op zak vertok ik, samen met mijn maat Wim, naar Austin. De eerste zondag meteen maar op zoek naar deze club. De club ligt wat afgelegen in een soort bedrijvenwijk van Austin, niet ver van het park waar het standbeeld van Stevie Ray Vaughn staat. In de 'Austin Chronicle' lazen wij dat het optreden gepaard zou gaan met een brunch en dat de aanvangstijd 12.00 uur zou zijn. Bij aankomst stond er al een rij mensen in de brandende zon(45 graden)voor de deur. Snel ook maar aansluiten in rij om niet voor een dichte deur komen te staan. Wij wisten totaal niet wat ons te wachten stond, maar de visoenen van een echt Amerikaans Gospel koor spraken voor zich. In de club stonden keurig allemaal tafels en stoelen en recht voor het podium was nog een tafeltje voor ons vrij. Op het podium stond een vreemd aantal muziekinstrumenten voor een Gospel koor; Dobro’s, een contra-bas, een wasbord, een viool, diverse gitaren en een piano. Op een groot spandoek stond ‘The Asylum Street Spankers, God’s favorite band’. Een bont gezelschap, zeker een mannetje of tien, betrad het podium. Wij keken ons ogen uit en ja, het was Guy Forsyth die zich samen met een dame(Christina Marss) recht voor onze bordjes poseerde. Eén van de bandleden, 'Mysterious John’, stak een bord omhoog met de tekst 'Silence' en kondigde de band aan. Dit was een band die geen gebruik maakte van 'God’s demon electricity'. Na de aankondiging werd het bord ‘Silence’ vervangen door ‘Clapp’en begon de leukste show die ik ooit zag. Gospel, Blues, jaren twintig muziek. Eigenlijk alle stijlen die je kan bedenken kwamen langs. Gebracht in diverse bezettingen en met heel veel humor doorspekt. Ook het Mexicaanse eten smaakte prima. Na afloop kochten wij bij Guy Forsyth nog een cassettebandje dat net was uitgekomen. Guy nodigde ons meteen uit om ’s avonds naar 'Antone’s' te komen voor een optreden met zijn eigen band. Ook dit optreden was geweldig.en zo hadden wij een echt dagje ‘Guy Fosyth’ in Austin. De band 'The Asylum Street Spankers' bestaat al sinds 1994 en treedt nog steeds met heel veel succes op. Guy Forsyth heeft na vijf jaar de band verlaten en is te horen op de eerste vijf cd’s van de band. Uiteraard toert Guy nog steeds met zijn eigen band en is veelvuldig te beluisteren in de lage landen.
| ||||
Lee Allen (1926 – 1994), Sil Austin (1929 – 2001) en Boots Randolph (1927 – 2007) | ||||
Het is 1991 en de directeur van het Amsterdamse Paradiso is op dat moment niemand minder dan saxofonist Hans Dulfer. Iedereen die Hans een beetje volgt in de media, weet dat hij iemand is die zich graag wil laten gelden en natuurlijk ook inspraak wil over de programmering van onze plaatselijke poptempel. Door zijn toedoen staan er vanavond dan ook een aantal saxofonisten op het programma die bij het grote publiek nooit de erkenning hebben gekregen die zij verdienen. Want gooi op een willekeurige verjaardag er maar eens uit dat je fan bent van één van deze drie muzikanten en iedereen zal je met grote ogen aanstaren en je vertellen nog nooit gehoord te hebben van deze mannen. Toch heeft iedereen wel eens een nummer gehoord van de uit Paducah/Kentucky afkomstige Boots Randolph. Zijn grootste hit ‘Yakety Sax’ is namelijk de openingstune van de Engelse Benny Hill show. Tevens speelde hij mee op ‘Return To Sender’ en ‘Reconsider Baby’ van Elvis en leverde hij een bijdrage aan maar liefst acht soundtracks van Elvis films. Ook het werk van de uit Pittsburg/Kansas afkomstige Lee Allen hebben wij allemaal wel eens gehoord. Hij was onder andere de saxofonist op diverse opnames van Little Richard, Fats Domino en Lloyd Price. Zelf heeft hij nog een hitje gehad met het nummer ‘Walkin’ with Mr. Lee’. In de jaren zeventig maakte hij nog een comeback en speelde hij mee op een opname van de Stray Cats en maakte hij ook nog eens twee jaar deel uit van de legendarische ‘Blasters’. Voor Sil Austin ligt het inderdaad wat moeilijker, alhoewel hij meer dan dertig solo albums maakte op het befaamde ‘Mercury’ label. Ook had hij wat hitjes zoals ‘Danny Boy’, ‘Slow Walk’ en ‘My Mother’s Eyes’. Eerlijk gezegd had ikzelf in 1991 ook nog nooit gehoord van deze mannen, maar het affiche beloofde ‘Honkers and Screamers’ en dat was voor mij genoeg reden om eens te gaan kijken. De begeleiding bestond uit een Nederlands gezelschap. Een aantal trombones, trompetten, saxen, een drummer en een gitarist die samen het geluid produceerden van een complete Big Band. Soms zijn er van die avonden waarbij je eigenlijk geen verwachtingen hebt, maar die uitgroeien tot onvergetelijke concerten. En zeker weten dat dit zo’n avond was. Vanaf het begin tot het eind was het werkelijk fenomenaal wat de muzikanten deze avond brachten. Zoveel afwisseling in repertoire. Zo prachtig gespeeld. Als ik alle concerten die ik inmiddels heb bijgewoond in een top tien lijstje moet gaan samenvatten dan staat deze avond zeker in mijn top vijf. Houd je van de saxofoon en ken je deze mannen niet, op het internet staan diverse cd’tjes te koop met de best off. De prijzen liggen rondom de acht euro! Sla je slag en geniet. En Hans nog bedankt!
| ||||
Optreden Lonnie Mack 27 april 1991 | ||||
De mooiste gebeurtenis in je leven, is toch wel de geboorte van een kind. Mijn oudste( Ruby ) wordt op 28 april alweer achttien jaar. Haar geboortedag is onlosmakelijk verbonden aan de Amerikaanse bluesgitarist ‘Lonnie Mack’. Ik zal jullie uitleggen waarom. Een paar weken voor de uitgerekende datum bleef ik ,als aankomend vader, in de weekends ’s avonds thuis. Geen uitstapjes, dus ook geen bezoek aan bluesconcerten, bang dat ik was iets te zullen missen van de geboorte. De uitgerekende datum kwam in zicht en het steeds maar thuis blijven viel niet mee. Twee weken na deze datum stond er gelukkig weer een optreden in de planning. Op zevenentwintig april stond er namelijk een fantastische gitarist(Lonnie Mack) aangekondigd in de Meervaart vlak bij mijn huis. Kaartjes had ik al gekocht dus dat zou allemaal goed komen. Als onervaren man op het gebied van geboortes had ik er natuurlijk helemaal geen rekening mee gehouden, dat alles wel eens over de uitgerekende datum kon vallen en zeker geen twee weken. U snapt het al, dit was toch het geval. Na huiselijk overleg besloot ik toch maar te gaan. Gewapend met een pieper (mobiele telefonie was nog niet uitgevonden) vertrok ik. De op 18 juli 1941 in Harrison/Indiana geboren Lonnie Mack kende ik vooral via zijn LP’s (Strike Like Lightning, Second Sight & Attack of the Killer V, Live) die ik in mijn bezit had. Vooral de laatste LP was vanwege de hoes (een foto van zijn handelsmerk de ‘Flying V gitaar) al het aanschaffen waard geweest. Het optreden was geweldig! Nummers als ‘Memphis, Wham en Chickin’Pickin’ passeerden de revue. Na het laatste nummer begon iedereen uiteraard te roepen om een toegift. Door al het lawaai drong het geluid van mijn pieper niet meteen tot mij door. Als door de duivel achterna gezeten haastte ik mij op de fiets naar huis. Om half acht in de ochtend werd mijn lieve dochter Ruby geboren. De aankondigingposter van het optreden hangt nog steeds ingelijst in mijn gang.
| ||||
William Lee Perryman ook wel bekend als Piano Red of Dr. Feelgood 19/10/1911 – 25/07/1985 | ||||
![]() | ||||
James Yank Rachell ( 16/03/1910 – 09/04/1997) | ||||
![]() Aangetrokken door een bericht in de ‘Boogie Woogie & Blues Collector’, waren wij op het fietsje de stad ingetrokken om in onze ogen iets unieks te gaan zien. ‘Elektrische blues op een mandoline!’. Aangekomen was het nog een hele klim naar de bovenste verdieping van het Roothaanhuis aan de Amsterdamse Rozengracht. De zaal was niet al te groot en gevuld met stoelen, zodat iedereen kon zitten tijdens het optreden. Een grote man, gestoken in smoezelig zwart pak, betrad het podium: ‘James Yank Rachell’.Om zijn nek bungelde zijn elektrische mandoline. Een beetje lullig gezicht, zo’n grote man met zo’n klein instrument. Maar wat een optreden! Het felle geluid van de mandoline, ondersteunt door alleen een bas en een drummer, sneed door de zaal. ‘Pre war Country Blues’ in een elektrisch jasje. Wie was eigenlijk deze Yank Rachell? Yank werd geboren in Brownsville(TN) op 16 maart 1910. Hij leerde de mandoline bespelen van zijn oom ‘Daniel Taylor’. Daarna leerde hij zichzelf ook nog gitaar, viool en mondharmonica spelen. Zijn opname carrière begon op zijn negentiende toen hij tezamen met Sleepy John Estes en Jab Jones, onder de naam ‘The Three J’s’, het nummer ‘Divin’Duck Blues’opnam. Zijn beste jaren als muzikant lagen tussen 1935 en 1941. In totaal schreef Yank zo’n negenhonderd nummers, waaronder het door John Lee Hooker bekend geworden ‘Hobo Blues’. Op verzoek van zijn vrouw stopte hij zijn carrière in de late vijftiger jaren. Het gezin verhuisde in 1956 naar Indianapolis(IN). Na het overlijden van zijn vrouw in 1962, pakte hij de draad weer op en richtte zich voornamelijk op de mandoline. Vanaf de jaren zeventig besloot hij op pad te gaan met een elektrische band. Yank overleed op respectabele leeftijd op 9 april 1997. Als je meer wilt weten over deze Blueslegende, kan je het vinden op Amazone.com. Daar is zijn biografie, geschreven door Richard Congress, te koop. De titel is(hoe kan het ook anders) ‘Blues Mandolin Man’.
| ||||
Douglas Wayne Sahm(Doug Sahm) 06/11/1941 - 18/11/1999. | ||||
| ||||
Champion Jack Dupree ( 04/07/1910 - 21/01/1992 ) | ||||
![]() Er is één man in Amsterdam geweest, die de blues op de kaart heeft gezet. Deze man was Martin van Olderen, oprichter van het Oldie Blues record label, uitgever van de Nederlandse Boogie Woogie Blues Collecter en jarenlang de drijvende kracht achter heel veel concerten, waaronder jarenlang het Amsterdam Bluesfestival in de Meervaart. De eerste keer dat ik naar een optreden ging dat was georganiseerd door Martin, was in het M.O.C aan de Lindenlaan te Amstelveen. Mannen als Robert Pete Williams, Lousiana Red en andere grootheden, zag ik hier optreden. Ik herinner mij nog de mooie toegangskaartjes, met hierop een foto van de artiest en een toegangsprijs van hfl. 7,50. Later verhuisden de concerten naar Amsterdam; eerst naar het Roothaanhuis aan de Rozengracht en toen naar de Meervaart in Amsterdam- Osdorp. Nu had ik het geluk, dat ik op vijf minuten fietsen van deze Meervaart woonde en werkelijk alles heb bezocht wat Martin hier organiseerde. En dat was heel veel. Martin was vooral een liefhebber van de Piano Blues en Boogie Woogie. Zo begon hij dan ook, concerten te organiseren op de zondagmiddag in de Meervaart, vol met piano Blues en Boogie Woogie. Toen ik van de week in de uitverkoop een cd’tje kocht van Champion Jack Dupree, moest ik weer terug denken aan deze reeks. Het was namelijk het optreden van Dupree, wat mij het meest is bijgebleven van deze zondagmiddag optredens. Het was niet zijn piano spel of de zang, maar het waren de oeverloze lange verhalen tussen de nummers door. Hij doorspekte ze vol met humor, maar het meeste was zeer slecht te verstaan. Wat het ook wel weer amusant maakte. Hieronder kort nog wat info over deze laatste grote barrelhouse pianist. William Thomas Dupree werd op 4 juli 1910 geboren te New Orleans. Tot 1940 was Dupree een verdienstelijke bokser. Na zijn boksperiode, legde hij zich geheel toe op zijn andere grote passie, de piano. In 1940 maakte hij zijn eerste opname voor ‘Okeh’en het was voor ditzelfde label dat hij ‘Junker’s Blues’opnam. Later bekend geworden als ‘The Fat Man’van Fats Domino en ‘Lawdy Miss Clawdy’van Lloyd Price. In 1955 had hij zelfs een hit met ‘The Walkin’Blues’ een nummer wat maar liefst elf weken op de hitlijsten bleef staan. Hierdoor kon hij de overstap maken naar het grotere RCA label. In 1959 vertrok Dupree naar Europa waar hij in diverse landen verbleef. Hier maakte hij nog tientallen lp’s op allerlei labels. Na zijn dood in 1992 kreeg hij nog postuum twee WC Handy awards voor zijn albums ‘Forever And Ever’ en ‘Blues For The Cutter’.
| ||||
Junior Wells. | ||||
| ||||
Voor het eerst naar Paradiso. | ||||
| ||||
Ronald Abrams | ||||
| ||||
Heel Maloe was verliefd op 'Ivy' | ||||
| ||||
De eerste keer 'Brood' | ||||
| ||||


Never Enough!!




































